U bent hier

Programmaboekje Desguin Kwartet
24.02

Programmaboekje Desguin Kwartet - Festival Kortrijk '21

Programma:

Peter Benoit
Strijkkwartet in D opus 10
I. Allegro. Anima e fuoco
II. Scherzando. Presto
III. Larghetto
IV. Allegro. Anima

Ryelandt
Adagio voor strijkkwartet opus 13

Danish Traditionals (arranged by The Danish String Quartet)
I. Stædelil
II. Ack Värmeland, du skona
III. The Peat Dance

Musici
Wolfram Van Mechelen: viool
Ludovic Bataillie: viool
Rhea Vanhellemont: altviool
Pieter-Jan De Smet: cello

Een briljant van eigen bodem

Heel af en toe verschijnt er aan het binnenlandse muziekfirmament een nieuwe fonkelende ster waar iedereen laaiend enthousiast over is. Het Desguin Kwartet, dat zijn levenslicht zag in de wandelgangen van het rijzige deSingel-gebouw (aan de Desguinlei) in Antwerpen, is in een recordtempo de harten van muziekminnend Vlaanderen aan het veroveren met een innemende sound, onstuimige jeugdige spirit en onmetelijke liefde voor muziek. Voor Festival Kortrijk brengen ze een hommage aan twee componisten van bij ons, Peter Benoit en Joseph Ryelandt, en gaan ze de folkloristische toer op met arrangementen van het wereldvermaarde Danish String Quartet.


Peter Benoit

In de 19e eeuw was het muziekleven in België volledig op Franse leest geschoeid. Voor de eerste conservatoria (Luik, Brussel, Gent) was Parijs het model. De veelzijdige François-Joseph Fétis, een van de invloedrijkste figuren uit de 19e eeuw, werd belast met de organisatie van het muziek-onderwijs in ons land. Hij werd de eerste directeur van het Conservatorium in Brussel.

In 1851 werd de zeventienjarige West-Vlaming Peter Benoit (1834-1901) zijn leerling. Na het winnen van de felbegeerde ‘Prix de Rome’ in 1857, een officiële prijs voor compositie die de maker onmiddellijk tot een prominente muziekpersoonlijkheid promoveerde, kon Benoit zijn perspectieven verruimen door verblijven in Duitsland en Frankrijk. Na korte passages in Leipzig, Praag en Berlijn kwam Benoit in München aan. Hij trof er een stad in feeststemming aan: de stad was aan haar 700ste verjaardag toe en dat werd gevierd met historische stoeten, tentoonstellingen en grandioze concerten. Via ene Barones von Siegroth werd Benoit in München aan Franz Liszt voorgesteld, die hem prompt in Leipzig uitnodigde. Liszt was op dat moment de toonaangevende stem van de Neudeutsche Schule en wou zijn visie hierover delen met Benoit. Uiteindelijk strooide een ziekte roet in het eten en is hij via Leipzig naar België teruggekeerd. 

Tijdens zijn verblijf in München componeerde Benoit zijn enige strijkkwartet. Opmerkelijk is dat Benoit het werk niet van begin tot einde in chronologische volgorde componeerde. Hij schreef eerst het tweede deel, dan het derde, vervolgens het eerste en dan pas het slotdeel. Het werk zelf leunt dichter aan bij de klassieke periode van Mozart en Haydn, dan bij doorwinterde romantische kamermuziek. Benoit was toen nog maar 24 jaar en bracht met uitgebalanceerde vormstructuren en fijngevoelige melodieën het werk helemaal tot leven. Toch schemeren ook echo’s van de vroege romantiek door in dit kwartet met hoorbare invloeden van Mendelssohn, Schubert en Schumann. 

De rest van het Peter-Benoitverhaal is bekend. Na een intensieve periode in Parijs waar hij als gelauwerde internationale componist met universele stijl zijn gading vond, keerde hij in 1963 met heimwee terug naar zijn heimat, waar hij al heel snel in de ban kwam van het flamingantisme. Dit ging gepaard met het verzamelen van Vlaamse volksliederen en oprichten van Vlaamse zangverenigingen. In 1867 zou hij directeur worden van de Antwerpse Muziekschool (pas in 1898 erkend als officieel conservatorium) en stelde hij zich als componist helemaal ten dienste van de culturele ontvoogding van het Vlaamse volk met groots opgezette cantates en oratoria. Niettemin bleef Benoit zijn strijkkwartet liefhebben tot het einde van zijn leven. Het stond vaak op concertprogramma’s van leerlingen en leerkrachten aan het conservatorium en de eerste twee delen werden gespeeld bij de inhuldiging van de marmeren buste van Benoit, die je nog steeds bij het binnenkomen van het gebouw vindt. Ongetwijfeld zullen de leden van het kwartet met bewondering naar deze invloedrijke figuur gekeken hebben toen ze door diezelfde gangen wandelden.


Joseph Ryelandt

Terwijl Peter Benoit de dag van vandaag nog onder het gros van de bevolking bekend is als romantische componist en pedagoog, is de Brugse componist Joseph Ryelandt (1870-1965) dat lot zeker niet beschoren. Het is pas de laatste jaren, onder invloed van musicoloog David Vergauwen, dat de Ryelandt-revival echt is ingezet. In een periode die meer dan een halve eeuw bestreek, van ongeveer 1895 tot 1945, ontwikkelde Ryelandt zich tot een van de grootste Belgische componisten uit de laatromantische periode. Het omvangrijke oeuvre van Ryelandt gaat van geestelijke oratoria over vijf symfonieën tot cantates en koormuziek, liturgische muziek en een zestigtal liederen op Nederlands en Franse teksten. De vierde symfonie met een koorfinale (1912-13) is een hoogtepunt in de Vlaamse symfonische literatuur.

Daarnaast componeerde Joseph Ryelandt cantates en koormuziek, liturgische muziek en een zestigtal liederen op Nederlandse en Franse teksten. Een schat aan kamermuziek en werken voor piano solo getuigen eveneens van zijn sterke scheppingskracht. Ondanks internationale erkenning voor zijn oratoria besefte Rylelandt maar al te goed dat de muziekcanon onvermijdelijk was: “Si Dieu veut que mon oeuvre soit un jour propagée, cela viendra. Sinon, qu’importe? Le rôle de l’artiste est de produire et puis c’est tout. Le succès est un luxe et un agrément, non indispensables...”

De kamermuziek van Ryelandt geeft een goed beeld van zijn eigen stijltransformatie, vertrekkend bij de Duits-romantische traditie, geïnspireerd door zijn leermeester Edgar Tinel, over invloeden van César Franck naar een meer impressionistisch en dissonant gekleurd klankbeeld. Ryelandt was echter heel kritisch voor zichzelf en vernietigde in het begin van zijn carrière veel eigen werk. Van de in totaal zeven strijkkwartetten bewaarde Ryelandt slechts één fragment, het Adagio in fis, op. 13. Het meeslepende Adagio is afkomstig uit een strijkkwartet in La groot dat hij schreef in 1895 toen zijn studietijd bij Edgar Tinel ten einde liep. In dit polyfoon en zeer emotioneel geladen fragment wordt een weemoedig Adagio-thema steeds intenser met gevoelige arabesken ontwikkeld, waarna het hoofdmotief langzaam maar zeker uitdooft.


The Danish String Quartet

The Danish String Quartet kan in tegenstelling tot het Desguin Kwartet al heel wat internationale adelbrieven voorleggen. Maar hun roots verloochenen, dat doen ze zeker en vast niet. Zo herwerkten ze op hun album ‘Wood Works’ uit 2014 Scandinavische volksliederen tot arrangementen voor strijkers. Het resultaat is een melancholische maar moderne ontdekkingsreis door het muzikaal verleden van het hoge Noorden met dwepende bourdonbassen, idyllische natuurtaferelen en een flinterdunne grens tussen geluk en verdriet.

Tekst door: Jasper Gheysen

 

deel dit bericht: